Parkinson haalt je uit balans

Nu mijn overtuiging rondom Parkinson was veranderd (‘Genezing is mogelijk. Ik kan mijzelf helen’) waren de symptomen nog niet verdwenen. Ze bleven gewoon aanwezig. Parkinson symptomen lokten me uit om ook mentaal uit balans te raken. De ingang die Parkinson daarvoor nam was het lichaam. Ik kreeg in de gaten dat als mijn lichaam uit balans was doordat ik bijvoorbeeld de pijn voelde van de stijfheid, niet soepel opstond uit een stoel of het schrijven steeds kleiner werd, er met mijn geest iets bijzonders gebeurde. Het lichaam lokte de geest uit om de gaan denken ‘Geef de moed maar op’.

De geest had daar ook alle reden voor. Het lichaam gaf immers aan dat het niet beter maar slechter ging; een goede reden om de moed op te geven en anders te gaan denken. Gezien de ideeën die er collectief waren over Parkinson (ongeneeslijke, degeneratieve en progressieve ziekte) zou niemand me dat kwalijk nemen. Tot voor kort geloofde de geest er immers zelf nog in, beïnvloed door de medische wetenschap.
Niet alleen mijn lichaam maar ook de tijdsoriëntatie van mijn geest raakte uit balans. Parkinson’s zorgde er voor dat mijn aandacht uit het hier en nu getrokken werd in de richting van het verleden en de toekomst. Als mijn lichaam wankelde dan dacht ik ineens aan hoe soepel ik vroeger kon bewegen of hoe dit zich zou ontwikkelen in de toekomst. Mijn lichaam verleidde mijn geest om  deze gedachten vooral negatief in te kleuren. Ik voelde dan weer de angst voor de toekomst. Dit stelde mij op de proef om de overtuiging ‘Genezing is mogelijk. Ik kan mijzelf helen’ vast te houden.
Vanaf dat moment werd het me steeds duidelijker dat Parkinson’s een mentaal spel was. Het lichaam verleidt de geest de moed op te gaan geven waardoor de ziel zijn verlangen ook zou gaan opgeven. Het was een spel geworden tussen balans en disbalans op alle lagen van mijn persoon.
Het zou gemakkelijk zijn de angst niet te willen voelen en te ontkennen. Deze vorm van dissociatie kende ik erg goed. Ik wist dat ik er iets anders mee te doen had. Ik zou de intelligentie van de angst moeten gaan gebruiken, ook al wist ik nog niet wat die was. Om deze zoektocht te gaan doen zou ik de angst niet moeten gaan ontkennen maar juist moeten gaan opzoeken. Ik zou de angst kunnen laten gaan als ik hem eerst volledig en liefdevol kon omarmen.

Ik ging experimenteren met een zinnetje dat ik in mijzelf herhaalde als ik negatieve gedachten had en de angst voelde:
“Beste angst. Dank je wel dat je er weer bent. Je helpt me te voelen hoe belangrijk deze periode in mijn leven voor me is. Ik moet me blijven verbinden met de positieve dingen in mijn leven. Dank je wel dat je me daaraan helpt herinneren. Het is oke als je weer eens langskomt. Je helpt me te herinneren hoe belangrijk dit helingsproces voor mij is.”

Ik merkte dat dit voor mij een effectieve manier was om te gaan met de angst. Ik maakte er een signaal van dat vóór me werkte in plaats van tegen me.